De koek: waarom de brancheorganisatie nu belangrijker is dan ooit.

Marcel Slaghekke

Uitzenden is een sport. Wie het beter doet dan zijn concurrent, pikt klanten in. Dat is hoe het werkt, en dat is ook prima zo. Een goede markt heeft scherpe concurrentie nodig om scherp te blijven.

Maar er is een verschil tussen concurreren binnen een markt en de markt zelf in stand houden. Wie alleen op het eerste let, vergeet dat het tweede er ook nog is.

De koek krimpt

Ergens halverwege het vorige decennium was nog ruim vier procent van de Nederlandse beroepsbevolking uitzendkracht. In 2025 is dat gedaald naar ongeveer 2,5 procent, zo’n 400.000 mensen. De uitzenduren daalden in 2025 met vijf procent ten opzichte van het jaar ervoor, terwijl de omzet vlak bleef.

Dat is geen tijdelijke dip. Het is een trend. En de oorzaken zijn structureel.

De arbeidsmigratie staat politiek onder druk. De handhaving van de Wet DBA leidt tot grotere terughoudendheid bij flexconstructies. Inleners nemen arbeidsmigranten in toenemende mate rechtstreeks in dienst — onderzoek van de ABU en NBBU laat dat duidelijk zien. En de WTTA, die per 1 januari 2027 ingaat, gaat het aantal toegelaten uitleners verkleinen.

Voor wie hier rationeel naar kijkt, betekent dit één ding. De koek wordt niet automatisch groter. Hij krijgt actief vorm.

Wat brancheorganisaties doen

In Nederland heten ze ABU en NBBU. Samen vertegenwoordigen zij verreweg de meeste uitzendondernemingen. Hun werk gebeurt grotendeels achter de schermen, en juist daarom wordt het waarschijnlijk onderschat.

Ze onderhandelen de cao voor uitzendkrachten, de juridische basis waarop wij elke factuur en elke loonstrook bouwen. Ze vertegenwoordigen de sector richting de politiek wanneer nieuwe wetten worden voorbereid, zoals recent bij de WTTA en de Wet meer zekerheid flexwerkers. Ze bouwen de brug naar SNA, FNV en CNV. Ze publiceren marktcijfers waar elke serieuze speler op stuurt. En ze zijn het adres waar Den Haag belt als er iets in onze branche aan de hand is.

Zonder die organisaties zou de uitzendbranche geen stem hebben in de wetgeving die haar bestaan bepaalt.

Twee opties voor verschillende bedrijven

De ABU richt zich traditioneel op de grotere uitzendondernemingen. Hier worden de cao-onderhandelingen voor het grootste deel van de markt gevoerd. Het lidmaatschapsgeld is proportioneel aan de omvang van het bedrijf en kan voor grote ketens behoorlijk oplopen. Dat past bij de schaal van de leden en bij de slagkracht die de organisatie levert.

De NBBU is van oudsher de organisatie voor het MKB-segment van de branche. De drempel om lid te worden is lager, en de cao is op enkele punten beter passend bij kleinere en middelgrote bureaus. Voor een startend of doorgroeiend uitzendbureau is de NBBU vaak de logische eerste stap.

Beide organisaties werken vandaag de dag intensief samen op de grote dossiers. Dat ze beide bestaan, is in mijn ervaring eerder een kracht dan een zwakte. Ze dekken samen het hele spectrum van de markt.

Internationaal

Vergelijk Nederland met onze buurlanden. In Duitsland is ongeveer één procent van de beroepsbevolking uitzendkracht, in Polen vergelijkbaar. Op het eerste gezicht denk je: daar valt nog wat te halen. Dat is ook waar veel internationale ketens naar kijken.

Maar het verschil zit in de mate waarin de branche daar gereguleerd, geprofessionaliseerd en geaccepteerd is. In Duitsland is uitzendwerk lange tijd politiek omstreden geweest, en dat heeft de groei gedrukt. De Nederlandse hogere penetratie is niet vanzelf ontstaan. Zij is het resultaat van decennia waarin de branche zichzelf heeft gepositioneerd als serieuze partner van werkgevers en werknemers, met cao’s die werken en certificeringen die kloppen.

Op internationaal niveau wordt dat werk gecoördineerd door de World Employment Confederation, het voormalige Ciett. Een sector zonder internationale stem is een sector die zich laat overrulen door internationale regelgeving.

Het kortzichtige tegenargument

Veel kleinere intermediairs zijn niet aangesloten. De argumenten die ik hoor zijn altijd dezelfde twee.

Het is te duur. En je gaat met dezelfde tafel zitten als je concurrenten.

Voor het eerste argument heb ik begrip. Het lidmaatschapsgeld is geen kleinigheid, zeker niet voor een startend bureau. Maar als je het lidmaatschap niet ziet als kosten maar als investering in de kaders waarbinnen je werkt, kantelt het beeld. Een ondernemer die zonder cao zou moeten werken, of zonder collectieve onderhandelingen, of zonder een sector die de WTTA-implementatie aanstuurt, zou aan het einde van het jaar veel duurder uit zijn.

Voor het tweede argument heb ik minder begrip. Ja, je zit met je concurrenten aan tafel. Maar dat geldt voor elke serieuze sector. Niemand verwacht van ABNAMRO, RABO  of ING dat ze geen lid zijn van de Nederlandse Vereniging van Banken.

Mijn perspectief

Ik schrijf dit met een belang en zonder belang.

Met belang, omdat ik veertig jaar in deze branche werk, waarvan ruim 23 jaar als bestuurder van de ABU, omdat onze bedrijven zijn aangesloten bij de relevante brancheorganisaties, en omdat onze klanten, intermediairs, gebaat zijn bij een gezonde markt.

Zonder belang, omdat Backoffice Plus geen uitzendkrachten aan opdrachtgevers verkoopt. We concurreren niet met de intermediairs die wij bedienen. We hebben er dus geen direct gewin bij of jouw concurrent ook lid is.

Vanuit dat dubbele perspectief kan ik het rustig zeggen. Een uitzendbureau dat niet is aangesloten bij ABU of NBBU heeft minder invloed op zijn eigen markt, minder toegang tot kennis, en straks ook een lastiger pad naar WTTA-toelating. Dat is geen mening. Dat is rekenwerk.

Tot slot

De koek wordt niet automatisch groter. Maar hij kan ook niet automatisch kleiner. Hij krijgt vorm door wat ondernemers in deze branche gezamenlijk doen.

Dat gezamenlijke deel is precies waar de brancheorganisatie voor staat. Niet als gezellig clubje. Niet als verzekering. Maar als de plek waar de spelregels worden geschreven die bepalen of jouw wedstrijd over vijf jaar nog te spelen valt.

Mijn advies aan intermediairs die nog twijfelen: kijk er niet naar als kosten. Kijk er naar als infrastructuur. Net zoals een keurmerk, een G-rekening of een verloningssysteem.

Wie de infrastructuur op orde heeft, kan zich bezighouden met waar het in de sport van het uitzenden om draait. Winnen.

Backoffice Plus. Freedom to grow.