De vakbond. Geen vijand. Een gesprekspartner

Marcel Slaghekke

Veel uitzendondernemers zien de vakbond als storende factor. Iets dat geregeld in de weg loopt. Iets dat campagne voert tegen je bedrijfsmodel. Iets dat in cao-onderhandelingen vooral kosten oplevert.

Ik begrijp dat beeld. Ik deel het niet.

Een terechte argwaan

Vakbonden hebben uitzendwerk lange tijd met argwaan benaderd, nog steeds en dat is niet zonder reden geweest. De afgelopen decennia  was uitzendwerk in onze branche regelmatig synoniem voor lagere lonen, magere arbeidsvoorwaarden en weinig zekerheid. Werkgevers gebruikten flex-constructies geregeld om kosten te drukken, en de uitzendkrachten waren daar de dupe van.

Daar hebben de vakbonden hard tegen gestreden. En in veel gevallen terecht.

Het ongemakkelijke deel van die geschiedenis is dat onze branche zelf het ammunitie heeft geleverd voor de kritiek. Wie zijn uitzendkrachten onderbetaalt of slecht huisvest, geeft de vakbond zijn argumenten gratis cadeau.

Wat er sindsdien is veranderd

In de afgelopen  jaar is dat beeld fundamenteel verschoven, en dat is voor een belangrijk deel het werk van brancheorganisaties en vakbonden gezamenlijk.

De inlenersbeloning is een wettelijk uitgangspunt geworden.Gelijkwaardige beloning, hetzelfde als medewerkers van de opdrachtgever. Klinkt logisch toch!  Een uitzendkracht moet hetzelfde verdienen als een vergelijkbare werknemer bij de inlener. De Wet Arbeidsmarkt in Balans heeft de positie van flexwerkers versterkt. De Wet meer zekerheid flexwerkers verkort fase A van 78 naar 52 weken en fase B van 4 naar 2 jaar. En de WTTA, die per 2027 ingaat, weert partijen die de regels niet naleven van de markt.

Die wetten zijn er niet uit zichzelf gekomen. Ze zijn er gekomen omdat vakbonden, brancheorganisaties en politiek met elkaar aan tafel hebben gezeten. Soms na jaren van schermutselingen, soms na harde campagnes. Maar uiteindelijk wel aan dezelfde tafel.

Het Duitse contrast

In Duitsland is de uitzendmarkt aanzienlijk kleiner dan bij ons. Ongeveer één procent van de beroepsbevolking werkt daar als uitzendkracht, tegen 2,5 procent in Nederland.

Het verschil is niet dat de Duitse arbeidsmarkt geen flex-behoefte heeft. Het verschil is dat de Duitse vakbonden uitzendwerk decennialang met diepe argwaan zijn blijven benaderen, en de Duitse uitzendsector zelf weinig heeft gedaan om die argwaan weg te nemen. Lange tijd ontbrak een algemeen minimumloon, en uitzendorganisaties concurreerden openlijk op loonkosten. Inmiddels kent Duitsland wel een minimumloon, maar het vertrouwen blijft moeizaam.

Dat is geen klein verschil. Het bepaalt of een sector mag groeien of niet.

Wat de vakbond vandaag van ons vraagt

Vakbonden zijn vandaag geen vijand van uitzendwerk. Ze zijn een vijand van slécht uitzendwerk. Dat is een belangrijk onderscheid.

Wat ze willen, is in de kern hetzelfde als wat een bonafide ondernemer wil. Geen onderbetaling. Geen schijnzelfstandigheid. Geen uitbuiting van arbeidsmigranten. Geen wegwerpconstructies. Een sector waarin een flexwerker met een rechte rug zijn werk kan doen en aan het einde van de maand kan rondkomen.

Dat is geen onredelijk verlanglijstje. Dat is een minimum.

En het gunstige neveneffect ervan is dat het de bonafide spelers in onze sector beschermt tegen de partijen die de markt vergiftigen. Want elke malafide uitzender die zich kan blijven handhaven, kost een eerlijke uitzender klanten.

Het echte vraagstuk

Het werkelijke conflict tussen vakbonden en uitzendsector gaat vandaag niet meer over de vraag of flexibel werk mag bestaan. Dat is een gevoerd debat. Het gaat over waar de grens ligt tussen flexibiliteit en uitbuiting.

In dat gesprek is de vakbond een onmisbare partij. Niet omdat ze altijd gelijk hebben, maar omdat ze de tegenstem vormen die voorkomt dat de markt afglijdt. En een markt zonder tegenstem wordt op den duur een markt zonder zelfregulering.

Wie de vakbond serieus neemt, krijgt invloed op hoe dat gesprek loopt. Wie hem als hinderpaal ziet, krijgt over een paar jaar strengere wetgeving zonder eraan te hebben kunnen meeschrijven.

Mijn perspectief

Ik schrijf dit met dezelfde dubbele pet als eerder. Met belang, omdat ik veertig jaar in de branche werk en omdat onze bedrijven gebaat zijn bij een markt die werkt. Zonder direct concurrentiebelang met intermediairs, omdat Backoffice Plus geen klanten van hen overneemt.

Vanuit dat perspectief is mijn ervaring dat de uitzendondernemers die het op de lange termijn goed doen, geen energie steken in het bestrijden van de vakbond. Ze steken energie in het wegnemen van diens kritiek.

Dat is geen kwestie van toegeeflijkheid. Het is goed ondernemerschap. Want een sector die zijn arbeidsvoorwaarden serieus neemt, krijgt erkenning, en met erkenning komt ruimte.

Tot slot

De vakbond is geen vriend. Hij hoeft het ook niet te zijn. De vakbond vertegenwoordigt een belang dat soms anders ligt dan het onze, en dat is precies wat hij hoort te doen.

Maar de vakbond is ook geen vijand. Hij is de gesprekspartner waarmee, samen met de brancheorganisaties en de politiek, het kader wordt geschreven waarbinnen wij ons werk doen.

Wie aan die tafel zit, schrijft mee. Wie er niet bij zit, krijgt het kader thuisgestuurd.

Backoffice Plus. Freedom to grow.